inloggen voor leden

Aangewezen worden als gemeentelijk monument

 

© Leon Bok - De Begraafplaats nr. oktober 2009.

Menig begraafplaats heeft in de afgelopen jaren te maken gehad met monumentenzorg, meestal vanwege de aanwijzing van de begraafplaats of grafmonumenten als rijksmonument. Met de status van rijksmonument haal je de mogelijkheid in huis van subsidies en expertise bij restauratie en instandhouding. De regels zijn duidelijk en gelden landelijk. Dat ligt anders met wat de komende jaren nog veel houders van begraafplaatsen te wachten staat: aanwijzing tot gemeentelijk monument. Wat houdt dat precies in? En wat zijn de mogelijke gevolgen daarvan?

Niet alle houders van begraafplaatsen die te maken hebben gehad met een aanwijzing tot rijksmonument, waren het daar zonder meer mee eens. Een enkele keer werd bezwaar gemaakt. Duidelijkheid was vereist, zo bleek uit sommige bezwaren. Toch werden de meeste funeraire objecten zonder slag of stoot aangewezen.
Zijn de regels die gelden voor rijksmonumenten duidelijk en voor het hele land hetzelfde; anders ligt dat bij een aanwijzing tot gemeentelijk monument. Dat leidt tot een aantal onvermijdelijke vragen. Daarom is het goed om eens nader te kijken naar het fenomeen ‘gemeentelijke monumenten’.

Verschil per gemeente
In navolging van het rijk zijn ook provincies en gemeenten hun gebouwd erfgoed nader gaan bekijken. Panden of objecten die van belang zijn vanwege hun schoonheid of betekenis voor de lokale geschiedenis kunnen aangewezen worden als gemeentelijk monument. Dat doen gemeenten op grond van een gemeentelijke monumentenverordening. Die verschillen per gemeente en nog lang niet alle gemeenten hebben zo’n verordening. Daar is de laatste jaren snel verandering in gekomen. Het aantal gemeentelijke monumenten werd in 1987 nog geschat op een kleine 7.000, maar beliep in 2007 al bijna 43.000. Een exact aantal is echter niet bekend, want een overzicht ontbreekt vooralsnog. Van zo’n veertig begraafplaatsen is bekend dat ze geheel of gedeeltelijk gemeentelijk beschermd zijn. De kans dat grafmonumenten op uw begraafplaats aangewezen worden moet niet onderschat worden. Het aantal gemeentelijke monumenten groeit nog steeds, nu steeds meer gemeenten hun erfgoed inventariseren.

Onwetendheid
In veel gevallen zijn grafmonumenten aangewezen als gemeentelijk monument zonder dat de houder of beheerder er iets van weet. Bij gemeenten wordt formeel wel alles geregeld, maar vaak wordt de beheerder pas geïnformeerd als de procedure voorbij is. Bijzondere begraafplaatsen krijgen zonder meer een schrijven waarin het voornemen bekend wordt gemaakt, waarna de formele aanwijzing volgt. Veel kerkbesturen en kerkvoogdijen laten dit station echter passeren omdat niet duidelijk is wat er nu gedaan wordt of wat de gevolgen zijn. Als houder van een begraafplaats hoef je dus soms niet veel te doen om gemeentelijk monument te worden. Voor de aanwijzing van individuele grafmonumenten heeft de gemeente echter de gegevens van de rechthebbende nodig, maar vaak wordt dat (nog) vergeten. Een rechthebbende kan immers als belanghebbende worden aangemerkt. In een rechtszaak is met betrekking tot de aanwijzing van een rijksmonument recent voldoende vastgesteld dat een rechthebbende wel degelijk als belanghebbende moet worden aangemerkt. Dat zou feitelijk ook gelden voor gemeentelijke monumenten. Maar moet een houder van een begraafplaats zonder meer de namen van rechthebbenden overdragen? Jurist Willem van der Putten stelde in zijn antwoord op een vraag hierover in zijn Juridische adviesrubriek op uitvaartbranche.nl, dat de rechthebbenden van de betreffende graven wel degelijk moeten weten dat de gemeente het voornemen heeft om hun grafmonumenten op de monumentenlijst te plaatsen. Dit schept immers rechten en plichten, anders dan die hij bij de uitgifte van het grafrecht opgelegd kreeg. Het kan dus zijn dat de houder adressen moet overdragen. De houder van een begraafplaats zou ook zelf het contact met de rechthebbende hierover kunnen opnemen, maar zoiets moet overlegd worden. In feite bestaat er geen belemmering op het doorgeven van namen van rechthebbenden in dit geval.

Voor- en nadelen
Een van de eerste gedachten bij de aanwijzing tot gemeentelijk monument is ‘subsidie’. Het kan zijn dat een gemeente inderdaad een subsidiepotje heeft voor het monumentenbestand, maar dat is geen zekerheid. Wel bestaat de mogelijkheid om een laagrentende lening te krijgen uit het Cultuurfonds voor Monumenten. Daar staat tegenover dat er ook plichten ontstaan, zoals het melden van een voornemen tot wijziging of aanpassing van het monument. Dergelijke zaken zijn vergunningsplichtig. Belangrijk punt bij dit soort erfgoed is dan wel dat aan het gebruik van het monument geen afbreuk gedaan mag worden. Dat wil dus zeggen dat als voor een bijzetting het monument verwijderd moet worden, dat zonder vergunning dient te gebeuren. Men kan immers niet wachten tot een vergunning is afgegeven alvorens de overledene bij te zetten in het graf.
Wat je er ook voor krijgt is erkenning als erfgoed. Die status kan bijvoorbeeld betekenen dat andere fondsen bij een restauratie ook wel willen bijdragen. Het betreft immers gewaardeerde en  vastgestelde monumenten. Het behoud daarvan is belangrijk.
Rechthebbenden, maar ook de eigenaar van de begraafplaats, kunnen bezwaar maken tegen de aanwijzing als gemeentelijk monument. De rechthebbende moet dan natuurlijk wel weten wat de gemeente voor plannen heeft. De contractuele relatie die een houder van een begraafplaats is aangegaan met de rechthebbenden, brengt ook de verplichting met zich mee om er voor te zorgen dat de rechthebbenden weten wat de plannen van de gemeente zijn. Het kan namelijk zijn dat de gemeente het gebruiksrecht van de graven door rechthebbenden beperkt om de instandhouding te waarborgen. Daarmee worden rechthebbenden belemmerd in het gebruik van het graf en zouden ze de begraafplaats aansprakelijk kunnen stellen voor de schade. Met de komende wijziging in de Wet op de lijkbezorging wordt de rechthebbende weer juridisch eigenaar en dan is het helemaal zaak dat belemmeringen op het recht doorgegeven worden.
Maar zonder de schade die een rechthebbende kan claimen, kan een begraafplaats ook op andere wijze benadeeld worden. Wanneer blijkt dat rechthebbenden hun grafrecht opzeggen omdat ze er van uit gaan dat het grafmonument toch wel in stand gehouden wordt, kan dat financiële gevolgen hebben. Dan wordt het onderhoud niet meer betaald en komt alles op de begraafplaatshouder neer. Sommige gemeenten zijn bereid een bijdrage te leveren in het onderhoud, maar dat is vaker niet dan wel het geval. In een enkele gemeente heeft de afdeling die verantwoordelijk is voor de gemeentelijke monumentenzorg de grafrechten overgenomen. Daarmee vangt men twee vliegen in één klap: de gemeente kan er van uitgaan dat het behoud gewaarborgd is en de exploitatie loopt geen nadeel op. Dat zou ook een oplossing kunnen zijn voor oudere graven die al geruime tijd zijn teruggevallen.

Geen plicht
Wanneer een houder van een begraafplaats in de problemen komt omdat grote delen van de begraafplaats worden aangewezen als monument, is het logisch dat de aanwijzende partij bijspringt. Gebeurt dan niet dan hoeft het de begraafplaats niet meer geld te kosten, want alhoewel het niet toegestaan is de aangewezen monumenten te vernietigen, is er ook geen plicht tot onderhoud. Wanneer beschermde grafmonumenten in de weg staan kan het handig zijn om ze te verplaatsen. Dat laatste zal echter in veel gevallen vergunningplichtig zijn, maar mogelijk dat hiervoor wel steun ontvangen kan worden van de gemeente.
Hoewel er gelukkig nog veel waardevolle grafmonumenten zijn en de aanwijzing daarvan een statusverhogend effect kan hebben, blijft het zaak goed op te letten bij de plaatsing van grafmonumenten op de gemeentelijke monumentenlijst. Het is niet alleen zaak om duidelijkheid te krijgen over de gevolgen voor de exploitatie, maar ook of het aan te wijzen monument wel degelijk waardevol is. In het verleden zijn grafmonumenten beschermd die dat funerair-historisch gezien niet verdienden, terwijl elders bijzondere grafmonumenten gewoon weggehaald werden. Het kan goed zijn om bijvoorbeeld een contra-expertise te vragen, vooral wanneer blijkt dat de deskundigheid bij het samenstellen van de lijst op dit terrein gering was. Bij het voornemen om hele grafvelden of begraafplaatsen aan te wijzen kan het goed zijn om vooraf een Cultuurhistorische Effect Rapportage (CHER) op te laten stellen. Uit zo’n rapportage blijkt wat de gevolgen zouden zijn van een aanwijzing. De gemeente Veenendaal heeft zo’n CHER enkele jaren geleden laten uitvoeren, toen de raad overwoog om het hele oude gedeelte van de begraafplaats aan de Munnikenweg aan te wijzen als monument. Het onderzoek wees echter uit dat de vermeende waarden niet zo sterk aanwezig waren als men zich had voorgesteld. Uiteindelijk kwam de aanleg van de begraafplaats wel in aanmerking voor bescherming met enkele bijzondere grafmonumenten, maar niet het hele gedeelte. De impact van de totale bescherming op de exploitatie van de begraafplaats zou ook te rigoureus zijn geweest.

Hoe het ook kan
Instandhouding van waardevolle grafmonumenten zou eigenlijk gewoon onderdeel moeten zijn van het beheer van een begraafplaats. Dan komt men in ieder geval niet voor verrassingen te staan als een gemeente plotseling aankondigt grafmonumenten te willen gaan beschermen. Steeds meer houders van begraafplaatsen brengen hun waardevolle elementen in kaart, terwijl er nog geen sprake is van aanwijzing tot gemeentelijk monument. Veel verordeningen bieden daarvoor ook ruimte, maar niet overal wordt daar gebruik van gemaakt. Tenslotte is het behoud van cultureel erfgoed een zaak van iedereen en die mag niet alleen afgewenteld worden op de begraafplaats. Zorg er dus voor dat een goede oplossing gevonden wordt als aan u een voornemen tot aanwijzing bekend wordt gemaakt. En bij twijfel: maak bezwaar en vraag om een nader onderzoek.

terug

Een voorbeeld uit de praktijk: Heerenveen

Zoals vorig jaar ook al in het artikel ‘Gemeenten kijken verder’ werd verteld (De Begraafplaats, herfst 2008), liet de gemeente Heerenveen al in 1998 een apart onderzoek uitvoeren naar funerair erfgoed in de gemeente. Voor een aantal begraafplaatsen van de Hervormde gemeente ging de aanwijzing echter niet door. De Hervormde gemeente had bezwaar tegen de aanwijzing omdat er op termijn geen grafrechten betaald zouden worden, want de graven konden tenslotte niet meer gebruikt worden. Hoewel de gemeente aangaf zich hierin soepel te willen opstellen, zette de Hervormde gemeente alle juridische zeilen bij. Uiteindelijk besloot de gemeente de aanwijzing niet door te zetten omdat anders de aanwijzingsprocedure wel heel lang en ingewikkeld zou worden.

De afgelopen jaren werd de conclusie getrokken dat de eerdere inventarisatie niet compleet was geweest, wat in enkele gevallen al geleid had tot het verdwijnen van waardevolle objecten. De gemeenteraad van Heerenveen heeft daarom voor 2009/2010 100.000 euro en een halve fte beschikbaar gesteld om alsnog de gemiste objecten in kaart te brengen. Voor het funerair erfgoed is een gespecialiseerd bureau ingeschakeld. Alle begraafplaatsen werden systematisch onderzocht. De opdracht beperkte zich niet alleen tot de grafmonumenten maar ook de gebouwen (baarhuisjes), hekwerken, de algemene opzet en bijzondere elementen als kransdozen werden meegenomen. De inventarisatie is inmiddels afgerond en het opgeleverde inventarisatierapport inzake funerair erfgoed is toegevoegd aan de inventarisatie van de gebouwen en bouwwerken, die door een ander bureau werd uitgevoerd.

Het inventariseren van het funeraire erfgoed is slechts de eerste stap. De volgende stap is hoe de bescherming van funerair erfgoed op een verantwoorde en praktische wijze, uiteraard in overleg met de eigenaar/beheerder van een begraafplaats, vastgelegd kan worden. Dit geldt ook voor losse elementen zoals de kransdozen. Dergelijke objecten zijn nog nergens in Nederland beschermd, dus dient de aanwijzing ook op de juiste, zorgvuldige wijze aangepakt te worden. De monumentenambtenaar van de gemeente, Koos van der Schaaf, is verantwoordelijk voor de aanwijzingen en is zich bewust van de problemen die er bestaan voor de eigenaars. Dienen ze, zoals gebruikelijk, een vergunning aan te vragen voor het herstel, de restauratie of het onderhoud of zijn er andere mogelijkheden? Van der Schaaf stelt dat de zaken wat anders liggen dan bij de eerste aanwijzingen. Toen konden eigenaren nog gebruik maken van een gemeentelijke subsidieregeling maar die werd in 2001 afgeschaft. Het Prins Bernhard Cultuurfonds is ook geen echte optie aangezien de minimale subsidiabele kosten 5000 euro moeten bedragen om in aanmerking te komen. Dat brengt dus een extra beperking met zich mee. Van der Schaaf realiseert zich dat je als gemeente met aanwijzen alleen er nog niet bent. Het gaat er om hoe je er daarna mee omgaat als overheid richting de eigenaar/gebruiker. Volgens de gemeenteambtenaar is dat minstens zo belangrijk.