Afstandverklaring (onmin tussen rechthebbende en belanghebbende)
Onderwerp: OverigVRAAG
Een rechthebbende heeft zich gemeld bij de beheerder van onze gemeentelijke begraafplaats met het verzoek om afstand te doen van de grafrechten, waarmee het beheer van de begraafplaats de ruimte krijgt om het monument te verwijderen en het graf opnieuw uit te geven. De stoffelijke resten worden dan pas geruimd bij nieuwe uitgifte (verdiepen).
De rechthebbende hoeft in deze situatie geen kosten te verwachten van de begraafplaats.
Nu veranderd de zaak; de broer van de overledene/begravene is een en ander ter ore gekomen en wil het graf van zijn zus behouden. Hij vraagt aan de beheerder wat de mogelijkheden zijn.
Normaal zal de beheerder de grafrechten na een afstandsverklaring uit kunnen geven aan andere directe nabestaanden. Als de rechthebbende dit bewust wil voorkomen, zal hij zelf opdracht moeten geven voor het verwijderen van de grafbedekking en het opgraven/cremeren van de begraven persoon. Hier zijn dan wel kosten mee gemoeid voor de rechthebbende.
ANTWOORD
Wanneer de rechthebbende afstand van het grafrecht gedaan heeft en de gemeente heeft dat conform artikel X van de Beheersverordening schriftelijk bevestigd, is de rol van de (voormalige) rechthebbende uitgespeeld. Daarnaast is het grafmonument als gevolg van natrekking eigendom van de gemeente geworden. Op grond van artikel X lid 1 van de verordening KAN de gemeente het monument verwijderen. Zij hoeft dat niet te doen, maar de verantwoording voor het monument is vanaf dat moment voor de gemeente.
De rechthebbende had zolang het grafrecht actief was, de gelegenheid om het monument te (laten) verwijderen. Heeft hij dat nagelaten, dan heeft hij er geen zeggenschap meer over. De kosten voor het verwijderen van het monument komen dan voor rekening van de gemeente, tenzij bij het plaatsen van het monument in de verordening opgenomen was dat die kosten aan het einde van de grafrechttermijn voor de rechthebbende waren. Ik verwacht niet dat dat in de verordening opgenomen was. Dat was wel eens het geval bij bijzondere begraafplaatsen.
Ik lees in de verordening geen mogelijkheid dat een rechthebbende kan verzoeken om een graf te ruimen. Dan kan dus ook niet. Zeker niet meer wanneer er afstand van het graf gedaan is. Voordat de voormalige rechthebbende afstand deed, had hij wel een verzoek tot opgraving kunnen indienen. Een crematie van de stoffelijke resten was dan mogelijk geweest. Nu hij dat nagelaten heeft, is het graf volledig vrij voor een nieuwe uitgifte, volgens de huidige regelgeving. Dat kan op grond van artikel 13, lid 2 van de verordening.
Wanneer het grafrecht nu opnieuw uitgegeven wordt, is het van belang goed te regelen dat het eigendomsrecht op het monument overgaat van de gemeente naar de nieuwe rechthebbende. Wordt dat vergeten vast te leggen, dan blijft de gemeente juridisch eigenaar van het monument en dat is natuurlijk ongewenst.
Bovenstaand uitleg is uitgaande van de situatie dat er al afstand gedaan is door de rechthebbende. Wanneer dat nog niet het geval is, veranderd de situatie. Grafrecht zou dan overgeschreven kunnen worden wanneer alle partijen dat zouden willen. Dit is de simpelste oplossing, maar ik vermoed dat dat niet lukt, anders zou de vraag over ruimen niet gesteld zijn. De rechthebbende kan op grond van de verordening geen verzoek tot ruimen indienen.
De rechthebbende kan dan nog wel het verzoek tot opgraving indienen. Dan komt er voor de gemeente een aandachtpunt. Wordt er een verzoek tot opgraving ingediend door de rechthebbende, is er in principe geen reden om de vergunning te weigeren waarbij ik ervan uit ga dat de grafrusttermijn van 10 jaar verstreken is. Maar nu wordt het interessant, want de broer van de overledene kan als belanghebbende gezien worden, omdat hij het graf in stand wil houden. Wanneer de vergunning verleend wordt, adviseer ik de gemeente hem daarvan in kennis te stellen en hem te wijzen op de bezwaartermijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht, een termijn van zes weken na afgifte vergunning. Wordt bezwaar gemaakt tegen de vergunning, dan start de bezwaarprocedure. Als het argument van de broer is dat hij de herdenkingsplek in stand wil houden, is het reëel dat de vergunning ingetrokken wordt omdat een blijvende herdenkingsplek zwaarder weegt dan het verwijderen van de stoffelijke resten. Zou de vergunning standhouden, dan staat de broer de gang naar de rechter open. De vraag is of hij dat traject in wil, maar mogelijk is het wel. Voor de huidige rechthebbende zou deze kennis reden kunnen zijn om van alle gedoe en kosten af te zien en of het grafrecht over te laten schrijven of er afstand van te doen.
IW mrt '25
21 juli 2025