Opgraving t.b.v. crematie

Rubriek: Begraven en regelgevingOnderwerp: b. Algemene graven

VRAAG

Het betreft een algemeen graf,  grafrust termijn van tien jaar is geruime tijd verlopen. De contactpersoon wil graag opgraving i.v.m. cremeren.  Dient nu het graf te worden overgeschreven op de contactpersoon, die daarmee rechthebbende wordt, alvorens wij de aanvraag voor opgraving in behandeling kunnen nemen?

ANTWOORD

Iedereen mag een verzoek tot opgraving – van een algemeen graf – indienen.

Wat is er geregeld in de Wet op de lijkbezorging (Wlb)?

Artikel 29

  1. Een lijk wordt slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf.
  2. Aan de vergunning verbindt de burgemeester de nodige voorschriften betreffende geneeskundig toezicht alsmede vervoer en bestemming van het lijk.
  3. Een opgegraven lijk mag worden gecremeerd, wanneer het verzoek daartoe gedaan wordt door de in artikel 18 bedoelde persoon. De paragrafen 1, 2 en 3 van hoofdstuk II zijn ten aanzien van de crematie niet van toepassing.
  4. Crematie binnen een jaar na de begraving vindt slechts plaats met schriftelijk verlof van de officier van justitie van de plaats van opgraving.

In bepaalde beheer verordeningen wordt echter wel gesproken over ‘een gebruiker’ van een algemeen graf.

De gebruiker van het algemene graf is in deze situatie de eerst aangewezen persoon om de vergunning tot opgraving aan te vragen. Een ieder ander kan dat echter ook doen. De gebruiker is in de meeste situaties ook de opdrachtgever van de oorspronkelijke begrafenis geweest. Wanneer aan alle voorwaarden voldaan wordt, en de burgemeester verleend de vergunning tot opgraving dan geldt de wettelijke periode van 6 weken waarin belanghebbenden bezwaar kunnen indienen tegen de verleende vergunning (Algemene wet bestuursrecht).

Andere belanghebbenden moeten dan wel weten dat er een vergunning verleend is. Wanneer de oorspronkelijke opdrachtgever van de begrafenis nu de aanvrager van de vergunning is, is het makkelijk. Niemand hoeft dan verder geïnformeerd te worden. Wanneer een derde echter destijds de vergunning aangevraagd heeft, terwijl de oorspronkelijke opdrachtgever nog in leven is, is het wel zo kies om de oorspronkelijke opdrachtgever van de begrafenis te informeren dat er een vergunning tot opgraving en, in dit geval vervolgens een crematie van de stoffelijke resten, verleend is. De oorspronkelijke opdrachtgever kan dan overwegen of er bezwaar tegen de verleende vergunning gemaakt moet worden. Dat laatste zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer de overledene expliciet aangegeven (en op schrift gesteld) dat hij of zij begraven wilde worden en niet gecremeerd. Een bezwaar tegen de vergunning tot opgraving en crematie van de stoffelijke resten maakt dan een gerede kans. Een uitkomst van de behandeling van het bezwaar zou dan kunnen zijn dat de vergunning gewijzigd wordt in een vergunning tot opgraving vanuit het algemene graf en dat de herbestemming een begraving in een particulier graf moet zijn.

Over het algemeen wordt tijdens de behandeling van een verzoek tot een vergunning tot opgraving de begraafplaatsbeheer geraadpleegd over de specifieke omstandigheden bij het betreffende graf. Aan de hand van de bevindingen van de beheerder, kan de burgemeester bijzondere voorwaarden in de vergunning opnemen. De beheerder heeft echter nooit een stem of een vergunning wel of niet verleend wordt. De burgemeester is degene die het besluit neem. De beheerder moet zorgdragen dat uitvoering van de vergunning gegeven wordt.

IW


9 september 2021