Is het echtpaar Winkler Prins geruimd of opgegraven?

In september verhuisden de overblijfselen van Anthony Winkler Prins (bekend van de gelijknamige encyclopedie, begraven in 1908) en zijn vrouw Henrietta (begraven in 1911) van een begraafplaats in Voorburg naar de algemene begraafplaats in Veendam. Het feit dat hierbij slechts één kist werd gebruikt leidde tot vragen op de site uitvaart.nl en tot een discussie tussen de juristen Willem van der Putten, bij De Begraafplaats-lezers zeer bekend, en Frank Mutter, columnist van Uitvaart.

Is het echtpaar Winkler Prins geruimd of opgegraven?

© Anja Krabben

In september verhuisden de overblijfselen van Anthony Winkler Prins (bekend van de gelijknamige encyclopedie, begraven in 1908) en zijn vrouw Henrietta (begraven in 1911) van een begraafplaats in Voorburg naar de algemene begraafplaats in Veendam. Het feit dat hierbij slechts één kist werd gebruikt leidde tot vragen op de site uitvaart.nl en tot een discussie tussen de juristen Willem van der Putten, bij De Begraafplaats-lezers zeer bekend, en Frank Mutter, columnist van Uitvaart.

In de juridische vragenrubriek op uitvaart.nl stelt een oplettende lezer van het Dagblad van het Noorden de volgende vraag aan Willem van der Putten: ‘De foto in de krant toonde een uitvaartverzorger en dragers die ‘slechts’ één kist droegen. Is de bepaling dat in één graf maar één stoffelijk overschot mag worden begraven bij een herbegraving niet van toepassing?’
Het antwoord van Van der Putten is duidelijk. ‘Het is de vraag hoe formeel je moet doen over de herbegraving van stoffelijke resten uit een dubbelgraf dat een eeuw oud is, maar ja, mijn inziens is het in strijd met de wet als je beenderen van twee personen in één kist begraaft, ook een eeuw na hun overlijden, tenzij je het graf als een ‘geschud’ graf beschouwt, maar dat is toch oneigenlijk.’

Verbaasd en enigszins geschokt over de suggestie dat ze onwetmatig gehandeld zouden hebben reageren twee direct betrokkenen bij de herbegrafenis op uitvaart.nl. Jan Woldhuis van de Gravendienst Noord-Nederland, laat weten belast te zijn geweest met de opgraving van de familie Winkler Prins. Hij schrijft: ‘Ik kan u verzekeren dat de resten niet gemengd in de kist lagen. In de kist is een tussenschot gemaakt zodat beiden gescheiden in de kist liggen.’ Hij is van mening dat de Wet op de lijkbezorging (Wlb) in dit geval niet van kracht was.
Petra Maters, directeur van het Veenkoloniaal Museum Veendam, laat weten dat op haar initiatief het echtpaar Winkler Prins verhuisd is naar Veendam. Ze is afgegaan op de verzekering van Woldhuis dat de Wlb hier niet van toepassing is ‘omdat het geen lijken meer zijn, dus de verplichting van aparte kisten vervalt. Na 97 jaar is er niet veel meer van de stoffelijke hulsels over dan beenderen.’ Ze zegt ook nog dat boven op de kist naamplaatjes zijn bevestigd op de juiste plek. ‘Als deze kist vergaat ‘vallen’ de plaatjes automatisch op de juiste persoon.’

Het plaatsen van het tussenschot en het toevoegen van naamplaatjes, laat niet onverlet, reageert Van der Putten, dat hier wel degelijk de Wlb van toepassing is, ook al is het 97 jaar later na de laatste begrafenis. Hij schrijft: ‘De rechtsbescherming van graven verjaart niet. Dan zouden alle oude graven in Nederland vogelvrij zijn en zou men willekeurig graven kunnen leeghalen. Nee, daar is geen sprake van. Absoluut niet.’

Van der Putten legt het aldus uit op uitvaart.nl: ‘Stoffelijke resten kunnen op twee manieren naar een andere begraafplaats verhuizen (en beide manieren vallen binnen de Wlb): als anoniem ter aarde te bestellen stoffelijke resten, of niet als anoniem ter aarde te bestellen (resten van) stoffelijke overschotten. Wanneer de resten anoniem ter aarde worden besteld, en zij komen uit een graf dat ten minste 10 jaar gerust heeft, dan is sprake van ruiming. Dan zijn geen verloven of bijzondere voorzieningen nodig.

Wanneer de resten niet anoniem ter aarde worden besteld maar worden herbegraven, is voor de opgraving verlof van de burgemeester nodig (of een graf een week, twintig jaar of een eeuw oud is maakt voor de wet geen enkel verschil) en moeten de stoffelijke overschotten ieder in aparte kisten worden begraven. De resten van twee personen in één kist, ook al zit er een schot tussen, is in strijd met het Besluit op de lijkbezorging (Blb). Daar staat dat tussen de graven een ruimte van 30 cm moet zitten. En met de term ‘graf’ wordt ‘grafplaats voor een (één) lijk’ of ‘een (één) kist bedoeld’. Die afstand is van oorsprong bedoeld om enerzijds technisch de vertering van het lichaam goed mogelijk te maken (er moet zuurstof kunnen circuleren), maar anderzijds ook om bij een (volgende) opgraving de stoffelijke resten van het individu duidelijk te kunnen traceren. Stel dat ooit de stoffelijke resten van twee personen in één kist opgegraven moeten worden, dan is waarschijnlijk niet duidelijk wie wie is. Want het ligt te dicht naast en tegen en wellicht ook over elkaar. Het Blb gaat er van uit dat de resten een flinke afstand tot elkaar moeten hebben. Er staat in het Blb dat begraving moet plaatsvinden in een kist, waarbij in het verleden ook is vastgesteld dat dit zo moet worden gelezen dat één lijk in één kist gaat.’

In zijn column in de Uitvaart van oktober laat mr Frank Mutter weten het niet met Van der Putten eens te zijn. Hij vraagt zich af: waarin verschilt opgraven van ruimen? Volgens Mutter is het echtpaar Winkler Prins geruimd omdat ze langer dan tien jaar begraven hebben gelegen. ‘De clou lijkt mij dat volgens Van der Putten slechts sprake is van ruiming als het gevondene anoniem ter aarde wordt besteld. Ik kom tot een afwijkende mening omdat ik dat criterium van anonimiteit niet kristalhelder in de wet kan terugvinden.’

Discussie in vakblad
In de Uitvaart van november wordt de discussie voortgezet. Beiden krijgen de ruimte in een eigen stukje hun mening nader toe te lichten. Mutter zegt dat hij vooral de wens heeft het zo simpel en eenvoudig te houden. ‘Vandaar mijn stelling: ruimen is een bijzondere vorm van opgraven. Bijzonder, omdat het pas mag bij doden die langer dan tien jaar begraven liggen. Die wetsuitleg berust erop dat ik in de Wet op de lijkbezorging geen kraakheldere definitie kan vinden van de begrippen opgraven en ruimen. Wat ik ook niet kan vinden is Van der Puttens eis van anonimiteit bij geruimde doden. Volgens het ruimingsartikel (31) moeten ‘overblijfselen der lijken …op een begraafplaats ter aarde worden besteld’, maar dat betekent volgens mij niet dat het anoniem moet.’

Maar waarom zijn er definities nodig van ruimen en opgraven?, reageert Van der Putten. Het verschil – dat het bij een opgraving gaat om de persoon en bij een ruiming om het leegmaken van het graf – is zo ook wel duidelijk, meent hij. ‘De wetgever heeft er nooit een probleem mee gehad. Er is volgens mij geen discussie mogelijk over de vraag of bij een opgraving na tien jaar nog verlof van de burgemeester nodig is: die is bij opgraving namelijk altijd nodig. In de wet is geen beperking voor de termijn opgenomen. In het parlement of door de rechter is ook nooit gezegd: “Ach, laat u na tien jaar dat verlof maar achterwege.” Integendeel.’ Ook Van der Putten houdt van eenvoudig en overzichtelijk, schrijft hij. ‘Bij opgraving is altijd een verlof nodig. Dat vind ik heel eenvoudig.’

Allebei gelijk?
Is dit niet gewoon een kwestie van een wet die multi-interpretabel is? Met andere woorden, beide heren hebben gelijk? “Nee,” zegt Van der Putten desgevraagd heel beslist. “Ik heb gelijk – al gaat het daar niet om, natuurlijk. Als je aan de verantwoordelijke ambtenaren bij het ministerie van Binnenlandse Zaken vraagt hoe het ministerie de wet uitlegt, dan zul je hetzelfde verhaal horen. Je kunt hoogstens zeggen dat je het niet eens bent met de wet, als tegenstander van vergunningen bijvoorbeeld, maar niet dat de Winker Prins-verhuizing een kwestie van ruiming was. Overigens wil ik nog even benadrukken dat anonimiteit bij het begraven bij mij geen eis is, zoals Mutter ten onrechte stelt, maar een gevolg. Het is het gevolg van de verplichting om een herbegraving in het register van een begraafplaats op te nemen.”

Mutter: “Volgens mij hebben Van der Putten en ik allebei gelijk, maar ik een beetje meer dan hij. Ik interpreteer de wet op de meest praktische manier waarmee in de praktijk een hoop sores kan worden voorkomen. Volgens mij verzet de Wlb zich niet tegen mijn opvatting: na tien jaar is het ruiming.”