Tien jaar grafrust en de rusteloze tijd

Tien jaar is een kroonjaar. Dat geldt niet alleen tijdens een mensenleven: het getal tien speelt ook een belangrijke rol na een overlijden. Zo schrijft de Wet op de lijkbezorging onder meer voor dat een graf pas mag worden geruimd wanneer na de laatste begraving of bijzetting van een lijk tien jaar zijn verstreken. Deze maatregel is al bijna anderhalve eeuw van kracht. Wat zijn de historische achtergronden van dit voorschrift? Dit ronde getal heeft in het lijkbezorgingsrecht grote betekenis gekregen met verstrekkende gevolgen.

Tien jaar grafrust en de rusteloze tijd

© Wim Cappers

Tien jaar is een kroonjaar. Dat geldt niet alleen tijdens een mensenleven: het getal tien speelt ook een belangrijke rol na een overlijden. Zo schrijft de Wet op de lijkbezorging onder meer voor dat een graf pas mag worden geruimd wanneer na de laatste begraving of bijzetting van een lijk tien jaar zijn verstreken. Deze maatregel is al bijna anderhalve eeuw van kracht. Wat zijn de historische achtergronden van dit voorschrift? Dit ronde getal heeft in het lijkbezorgingsrecht grote betekenis gekregen met verstrekkende gevolgen.

Mensen hebben zich altijd een voorstelling van een leven na de dood gemaakt. Zowel de ziel als het lichaam van de overledene werden levenskrachten toegedicht. Dit blijkt uit de lijkbezorging. Sinds de introductie van het christendom in de Lage Landen vanaf de zevende eeuw begroef men overledenen binnen de bebouwde kom in en rond kerken. Op deze gewijde plek bewaarde men ook het reliek van een martelaar. In diens geur van heiligheid konden gestorvenen met een gerust hart de Jongste Dag afwachten. Gelovigen baden bovendien voor hun zielenheil. Bij ruimtegebrek werden vooral de massagraven op kerkhoven geruimd. De schedels en botten kregen een plek in het knekelhuis op het kerkhof, zodat de gestorven gelovigen bij het Laatste Oordeel met ziel en lichaam uit de dood konden verrijzen.
Hoewel de protestantse Reformatie bemiddeling voor het zielenheil verbood, bleef het begraven in en rond kerken en het bijzetten van stoffelijke resten in knekelhuizen na de zestiende eeuw bestaan. Dit omdat er geen alternatief was en de kerkvoogden uit het begraven inkomsten hadden. De plaats van lijkbezorging hield echter geen verband meer met het geloof in de opstanding. Ondanks de kerstening en de protestantse Reformatie hielden mensen vast aan denkbeelden over het leven na de dood uit de religieuze volkscultuur. Als uiting van de vooroudercultus begroef men de doden bij voorkeur in de buurt van eerder overleden familieleden. Tegelijk kende de religieuze volkscultuur tradities die de geest van een gestorvene bij nabestaanden vandaan moest houden. Stierf iemand een gewelddadige dood of week de begrafenis af van het patroon, dan kon een overledene gaan spoken. Dat hield op, wanneer het lijk was geskeletteerd.

Hygiënische skelettering
Tijdens de Verlichting trok men een duidelijke grens tussen leven en dood. Geneeskundigen definieerden rond 1750 het ruiken van lijklucht als het zekerste teken van overlijden. Ook volgens de medici vormden lijken tijdens het ontbindingsproces een gevaar voor de samenleving: als verspreiders van smetstoffen konden ze via de lucht doodgravers, kerkgangers en omwonenden van kerkhoven ziek maken. Daarommoesten overledenen buiten de bebouwde kom worden begraven. Daar konden ze hygiënisch skeletteren. Overheden die waakten over de veiligheid en de gezondheid van hun onderdanen, namen dit gedachtegoed over. In 1827 bekrachtigde Willem I een Frans decreet uit 1804 dat het begraven in kerken vanaf 1829 verbood. De hygiënische lijkontbinding stond voorop. Plaatsen boven de duizend inwoners moesten vijfendertig à veertig meter buiten de bebouwde kom een begraafplaats aanleggen. Vanwege de heersende windrichting moest de begraafplaats benoorden de kom liggen. Om te voorkomen dat de lijken in het grondwater terecht kwamen, hadden hogere terreinen de voorkeur. Elk lijk moest in een apart graf worden begraven. Tussen de graven moest aan weerszijde drie à vier decimeter ruimte zijn en aan hoofd- en voetzijde drie tot vijf decimeter. Na vijf jaar was de lijkontbinding voltooid en mocht het graf worden geruimd. Een begraafplaats diende daarom vijf keer de omvang te hebben van de gemiddelde jaarlijkse sterfte. Op elk graf mocht een gedenkteken komen. Alleen als er voldoende plaats was, konden er particuliere graven worden uitgegeven. Mede dankzij de aanplant van groen ontstond er op de hygiënische begraafplaatsen toch een grafcultus. Aangezien de lijkontbinding in het noordelijker gelegen Nederland langer duurde werd de termijn waarna een graf mocht worden geruimd in de Begrafeniswet van 1869 verruimd van vijf naar tien jaar na de laatste begrafenis. Voortaan mocht er twee diep worden begraven. Tussen de kisten moest dertig centimeter aarde aanwezig zijn. Op de bovenste kist diende minstens vijfenzestig centimeter grond te liggen. Aangezien de termijn van lijkontbinding was verdubbeld, moest een begraafplaats voortaan minstens zo groot zijn dat er tien jaar lang kon worden begraven zonder dat ruiming noodzakelijk was. De Begrafeniswet stond toe dat graven met een uitsluitend recht voor minstens tien jaar of onbepaalde tijd werden uitgegeven. Na een ruiming moesten de overblijfselen van lijken en kisten op een afgesloten deel van de begraafplaats worden herbegraven.

De bevolkingsgroei en de grootschalige uitgifte van graven met uitsluitend recht buiten de Randstad maakten rond 1900 uitbreiding en aanleg van begraafplaatsen noodzakelijk. In de tweede helft van de twintigste eeuw zorgde het succes van de crematiebeweging voor een verminderde vraag naar grafruimte: een lijk was niet in tien jaar maar in een uur ontbonden. De mobielere bevolking koos massaal voor asverstrooiing en had, wanneer de overledene was begraven, weinig tijd meer voor grafbezoek. Intussen bleef de overheid alert om de ongestoorde lijkontbinding te bevorderen. In de jaren zestig gingen uitvaartondernemers vanwege de hygiëne kunststof lijkhoezen gebruiken. Onderzoek en ruiming van algemene graven wees echter uit dat bij lijken in hoezen adipocirevorming optreedt. Het Lijkomhulselbesluit uit 1991 verbood het gebruik van niet afbreekbare kisten en waden. En in 2002 riep de LOB haar leden op er alles aan te doen om te zorgen dat er zo milieuvriendelijk mogelijk begraven wordt, onder andere door uitsluitend nog afbreekbare lijkhoezen toe te staan op de begraafplaats. Het Besluit op de lijkbezorging uit 1991 bevatte extra voorzorgen om de lijkontbinding binnen tien jaar te waarborgen: aansluitend bij de praktijk mocht er drie diep worden begraven. De onderste kist moest minstens dertig centimeter boven het gemiddelde grondwaterpeil liggen. Onlangs stemde de Tweede Kamer in met thanatopraxie omdat deze vorm van balsemen uiterlijk tien dagen werkt en daarmee de lijkontbinding niet verstoort.

Emotioneler
Desalniettemin is er sinds de wetswijziging van 1991 meer aandacht voor de belangen van nabestaanden. Een graf met een uitsluitend recht geldt sindsdien voor ten minste twintig jaar. Bovendien kan de rechthebbende de termijn telkens met tien jaar verlengen. De nieuwe Wet op de lijkbezorging zal de mogelijkheden voor nabestaanden verder verruimen. Om vooral nog weinig kapitaalkrachtige ouders van jong gestorven kinderen tegemoet te komen kunnen voortaan particuliere graven vanaf tien jaar worden uitgegeven. Aangezien nabestaanden recent blijk hebben gegeven van een emotionelere band met de skeletten van familieleden, wil de nieuwe wet ook ethischer ruimen mogelijk maken.

Samenvattend is het sinds 1991 makkelijker geworden om de grafrust te verlengen. Daarmee heeft de termijn van tien jaar een nieuwe betekenis gekregen: in deze rusteloze tijd staan niet alleen het zielenheil van de overledene en de hygiëne van de lijkbezorging centraal, maar ook steeds meer het verdriet van de nabestaanden. De Begraafplaats zal in de komende tien jaar waarschijnlijk de nodige aandacht schenken aan de wensen van nabestaanden.