Zelfs bij rampen geen massagraven

Het komt misschien maar eens in de duizend jaar voor, maar toch... een crashend vliegtuig, exploderende chemische fabriek of andere ramp kan honderden doden veroorzaken. Op hoeveel doden moeten gemeenten en begraafplaatsen zich eigenlijk voorbereiden? En hoe? Massagraven zijn passe. Ook bij grote aantallen doden bepalen nabestaanden de begrafenis.

Zelfs bij rampen geen massagraven

© Harry Perrée

Het komt misschien maar eens in de duizend jaar voor, maar toch… een crashend vliegtuig, exploderende chemische fabriek of andere ramp kan honderden doden veroorzaken. Op hoeveel doden moeten gemeenten en begraafplaatsen zich eigenlijk voorbereiden? En hoe? Massagraven zijn passe. Ook bij grote aantallen doden bepalen nabestaanden de begrafenis.

“Op Selwerderhof zijn nog vijfhonderd plaatsen en desnoods 300 extra op de plantsoenstroken, op Hoogkerk vijfhonderd en op de Noorderbegraafplaats driehonderd,” somt Leen Criens op. “Als er nog meer begraven moeten worden, dan wordt er een sportveld gebruikt. Dat is zo gebeurd.” Mocht zich een ramp voordoen, dan heeft de gemeente Groningen voorlopig genoeg plaats om grote aantallen doden te begraven. Zoveel is Criens, sinds twee weken projectleider voor het deelplan uitvaartverzorging bij de gemeente Groningen, al duidelijk. “Ik ben nu bezig om het rampenplan uit te schrijven. De basis heb ik. Die ben ik nu aan het vullen. Als de stoffelijke overschotten zijn geïdentificeerd, moeten ze naar het mortuarium of de begraafplaats. Dat kun je niet met gewone begrafeniswagens doen, dat moet met gesloten vrachtwagens gebeuren. Het vervoer heb ik nu georganiseerd, althans op papier. Ik ben nu bezig met de uitvaart. Aan het begraven op zich ben ik nog niet toe. Maar stel dat er 500 doden zijn, dan moeten er ook 500 kisten zijn. Zijn die er?,” vraagt hij zich hardop af. “U belt net iets te vroeg. Als u over een paar weken terugbelt, ben ik al een stuk verder.”

Het onvoorstelbare voorstelbaar maken, dat is de taak die gemeenten hebben bij rampenplannen. Het vliegtuig dat neerstort op de woonwijk, de chemische fabriek die in brand vliegt, de chloortrein die verongelukt. Daarbij kunnen tientallen of zelfs honderden doden vallen. Moet de begraafplaats daarom shovels klaar hebben staan om in geval van nood op een speciaal gereserveerd sportveld of weiland massagraven te maken? Of is dat een tikkeltje overdreven? Maar hoe moeten gemeenten en begraafplaatsen zich dán voorbereiden op grote aantallen doden?

Abstract
Op hoeveel doden een gemeente zich überhaupt moet voorbereiden, is niet op voorhand te zeggen. Een rampenplan moet een inschatting maken van de typen risico’s die een gemeente loopt. Ligt de gemeente bijvoorbeeld onder een aanvliegroute, dan moeten scenario’s over een neerstortend vliegtuig klaarliggen. Maar hoeveel doden horen bij een ramp? Criens: “Ik ga er gemakshalve vanuit dat het er tien kunnen zijn, maar ook vijfhonderd. Als het er duizend zijn, dan gaat het te ver. Dan worden beslissingen ad hoc genomen. Dan zit je zo’n beetje in een oorlogstoestand.” Arie van Kooten, beheerder van de Dordrechtse begraafplaats De Essenhof en tevens LOB-secretaris, legt de lat lager: “Ik vind het erg abstract om nu al maatregelen te nemen voor honderden doden. Er is dan sprake van een noodsituatie, dan moet je toch met allerlei instanties overleggen.”

“De oude rampenplannen uit de jaren zeventig en tachtig gingen er vanuit dat de overheid wel even alles regelt,” vertelt Maarten Windemuller van de gemeente Enschede, tot vorig jaar oktober begraafplaatsbeheerder en verantwoordelijk voor de uitvaartverzorging na rampen. “Ik kan me nog herinneren dat hier eind jaren negentig op het stadhuis het misverstand heerste dat de gemeente massagraven zou moeten aanleggen.” Hans Heikoop is directeur van Cura Mortu Orum (‘specialist in overledenenzorg’) en coördinator postmortale zorg voor het Rampen Identificatie Team (RIT). Heikoop krijgt nog wel eens telefoontjes van ‘goedwillende ambtenaren die ongelooflijke perfectie nastreven en uitgaan van enorme doemscenario’s met grote aantallen doden door neerstortende vliegtuigen.’ Of de gemeente niet voor een massagraf moet zorgen?, luidt hun vraag dan. Zelfs Van Kooten denkt er wel eens aan. “Honderden doden, dat kan geen enkele begraafplaats hebben,” meent hij. “Dan moet je een massagraf hebben.”

Het zijn geluiden die uitsterven, constateert Egbert ten Hoeve, senior adviseur en trainer bij het NIBRA (Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding). Elk jaar maakt Ten Hoeve tientallen rampenplannen, samen met gemeenteambtenaren. Die hoort hij inmiddels amper nog reppen over massagraven. “Dat dateert uit de tijd van de civiele verdediging. Dat is,” zo zegt hij, “oorlogsdenken, en niet meer aan de orde. Overledenen worden na identificatie ter beschikking gesteld aan nabestaanden.”

Niet alleen is daarmee het massagraf uit beeld, ook het spookbeeld van massa’s doden bestaat niet meer, volgens Ten Hoeve. “Ik kan me niet voor de geest halen dat ik ergens in het land, bij de tientallen gemeenten waar ik geweest ben, ooit heb gezien heb dat men rekening houdt met duizend doden.” Alleen in een oorlogssituatie zou dat aan de orde zijn, meent hij. “Zelfs bij de vuurwerkramp in Enschede, een enorme klap, bleef het bij 22 doden.” Extra ruimte reserveren als onverhoopt honderden doden moeten worden begraven, vindt hij onnodig. Als de nood aan de man komt, kan die ruimte nog altijd aangewezen worden. Zelfs als hij desgevraagd nadenkt over een veel grotere ramp, van het soort van 11 september, komt hij niet tot andere conclusies. “Laten we eens uitgaan van 1500 doden. Dan nog zullen deze ter beschikking worden gesteld aan de familie. En die zullen dan gespreid worden begraven.” Is een massagraf dus helemaal uitgesloten? Ten Hoeve: “Alleen als er uiteindelijk een infectiegevaar dreigt, dan kan er een keer een besluit genomen worden om zo’n groot gat te graven. Maar er is niemand meer, en ik zit nu 35 jaar in het vak, die er zo over praat.” Dus neemt niet de gemeente het voortouw bij het begraven van rampslachtoffers, maar de nabestaanden. En die zullen hun geliefden niet allemaal op hetzelfde tijdstip op dezelfde plaats laten begraven.

Koelhuizen
Hoeft de gemeente zich dan helemaal niet klaar te maken voor grote aantallen doden? Gemeenten zijn er wel degelijk mee bezig. LOB-secretaris Van Kooten krijgt regelmatig telefoontjes van ambtenaren die zich willen voorbereiden. Dan moeten ze, zo antwoordt hij dan, in elk geval denken aan een morgue (tijdelijke opslagplaats voor doden), een plaats waar de politie de doden kan identificeren en een kapel. Van Kooten zelf heeft alvast overleg met de Afdeling Vastgoed van Dordrecht om een selectie te maken van gebouwen die daarvoor geschikt zijn. Meerdere, want wat als een geselecteerd gebouw in het rampgebied staat? Ook elders doet men voorwerk. In Enschede was Windemuller bij het maken van rampenplan uitvaartverzorging op zoek naar koelhuizen en -wagens en in Rotterdam inventariseerde Hommerson alvast de uitvaartondernemers in de regio.
Strikt genomen zijn al dit soort inspanningen overbodig. Het RIT heeft namelijk alles bij de hand voor een ramp tot 500 doden: containers om in te werken, koelwagens voor de opslag van overledenen, een chapelle ardente (waar nabestaanden afscheid kunnen nemen van de overledene), lijkkisten et cetera. Het enige waar de gemeente voor hoeft te zorgen, zo zegt RIT-stafgroeplid  Kees Breijer, is een liefst afgesloten terrein waar de RIT-ers hun spullen kunnen neerzetten en zonder pottenkijkers hun werk kunnen doen. En, zo benadrukt Breijer, het RIT is een organisatie die assistentie verleent. De lokale politie zal dus wel eerst even het RIT om assistentie moeten verzoeken.

Geeft de gemeenten de overschotten eenmaal vrij, dan is het dus aan de nabestaanden om te zorgen voor de begrafenis. Dat leidt haast vanzelfsprekend tot spreiding, maar zelfs als dat en masse op dezelfde begraafplaats moet gebeuren, zal dat niet veel problemen opleveren. Dat meent althans Windemuller. Zo zijn machines om graven te delven snel te leen bij omliggende begraafplaatsen. Desnoods maakt een shovel één grote sleuf. Hommerson heeft al afspraken met huisaannemers gemaakt. “Die kennen de locaties en hebben ook bulldozers en ander materieel ter beschikking.” Zolang het maar individuele graven oplevert en de familie instemt.

Vuurwerkramp Enschede: “Mensen worden in tijden van rampen inventief en coöperatief”
Maarten Windemuller was hoofd van de gemeentelijke begraafplaatsen ten tijde van de vuurwerkramp in Enschede, waarbij 22 doden vielen. “Ik was destijds,” zo vertelt hij, “goed op de hoogte van het rampenplan. We hadden nog recent een oefensessie met het NIBRA gehad over hoe je moet omgaan met lijkbezorging. We hoefden niet te gaan zoeken wat we moesten doen. Dat wisten we door de oefensessies. Het gaf een stuk rust in de hectiek.”

Windemuller heeft ervaren dat de gemeente maar een beperkte rol had bij het omgaan met de overleden slachtoffers. Het Rampen Identificatie Team (RIT) zorgde voor de opslag van de overschotten en wees ook een uitvaartondernemer aan om deze van het rampgebied naar de luchtmachtbasis Twente te brengen, waar identificatie plaatsvond. In het rampenplan stond dat er een actiecentrum uitvaartverzorging moest worden opgericht. “Maar dat hadden we niet nodig,” herinnert hij zich. “Toen het RIT de lichamen vrijgaf, was het begraven de zorg van de nabestaanden en de uitvaartondernemer. Er zijn een aantal mensen gecremeerd, een aantal begraven in de dorpen rondom Enschede. De begrafenissen waren niet tegelijkertijd en allemaal op basis van de individuele wensen van de familie.”

“De gemeente heeft meer een faciliterende dan een regelende rol,” is de ervaring van de voormalig begraafplaatsbeheerder. “Bijvoorbeeld de vijfdagentermijn waarbinnen een overledene begraven moet worden, ga daar niet te krap mee om. B & W kunnen daar ontheffing voor geven. Dat soort regels kunnen even aan de kant, want,” zo benadrukt hij, “het gaat om de emoties van de nabestaanden.”

Ziektes en virussen die honderden of duizenden doden veroorzaken, het behoort niet tot het scenario van het Enschedese rampenplan. Je hoeft niet alle doemscenario’s uit te werken, vindt Windemuller. “Mensen worden in tijden van rampen inventief en coöperatief. Dat hebben we hier ook gezien. Niemand zeurt om bonnetjes of opdrachtbonnen. Het is gewoon ‘aanpakken’.”