1) Natuurlijke graven zonder verlenging en 2) Kostendekkendheid
Onderwerp: Bestuur en beleidVRAAG
Er zijn twee vragen die ik wil stellen. Fijn dat deze mogelijkheid er is.
1. Natuurlijke graven, zonder mogelijkheid tot verlenging. Onze natuurlijke graven geven we (sinds 2019) uit voor 50 en 99 jaar. Waarbij er geen mogelijkheid is tot verlenging. We voorzien dat dit in de praktijk bij de uit te geven graven van 50 jaar een probleem op kan leveren. Bijvoorbeeld bij de wens tot bijzetting van partner (of kind) na 45 jaar, wat in zeldzame gevallen kan gebeuren. Zijn er praktische voorbeelden om hier passend mee om te gaan, en wat is uw advies in deze?
2. Investeringen zetten exploitatie begraafplaats onder druk Door enkele investeringen (maatregelen in de aula, nieuwe huisvesting personeel op de begraafplaats en renovatie van het aanwezige maar vervallen Baarhuisje) komt de kostendekkendheid van de begraafplaats onder druk te staan. Dat maakt dat we mogelijk op termijn jaarlijks onvoldoende budget overhouden om de voorziening voor groot onderhoud te vullen. Daarom bekijken we nu wat de effecten zijn van deze kosten op de exploitatie op termijn. Mijn vraag hierbij is: in hoeverre is het binnen de Nederlandse gemeenten gebruikelijk dat de begraafplaatsen de exploitatie rond krijgen (kostendekkend)? (U ziet vast dat we vooraf onvoldoende hebben afgewogen wat de financiële gevolgen van de maatregelen zijn, dat klopt, en daar gaan we nu ook mee aan de slag).
ANTWOORD
Uw gemeente geeft sinds een aantal jaren Natuurlijke graven uit als particulier graf. De graven worden uitgegeven voor een periode van 50 en 99 jaar. Dat is geregeld in artikel X, lid Y van de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats Z in 2021. In dat lid is aangegeven dat verlenging van deze termijnen niet mogelijk is. Daar loopt u nu, of op termijn, tegenaan begrijp ik uit uw vraagstelling.
In 2019 was er een uitgebreide discussie tussen de LOB en uw gemeente over de bepaling dat particuliere Natuurlijke graven voor 50 en 99 jaar uitgegeven zouden worden en dat er géén recht op verlening zou zijn. Die bepaling is namelijk strijdig met artikel 28 van de Wet op de lijkbezorging (Wlb) dat rechthebbenden steeds het recht op verlenging geeft. Het advies van de toenmalige consulent van de LOB was toen om de verordening aan te passen om aan te sluiten op hetgeen de Wlb aangeeft. Namelijk ook recht op verlenging voor particuliere Natuurlijke graven, voor de reeds uitgegeven Natuurlijke graven en wanneer verlenging ongewenst zou zijn, in het vervolg natuurlijke graven alleen als algemene graven uit te geven.
Op de website Overheid.nl heb ik de huidige verordening voor de begraafplaats aangetroffen. Die verordening dateert van 2021 en tot mijn verbazing is daarin nog steeds de bepaling op genomen dat particuliere Natuurlijk graven niet verlengd kunnen worden. Dat is simpelweg strijdig met de Wlb en dat is ook direct de oplossing voor het probleem dat u nu voorziet. De oplossing is om de verordening (weer) te actualiseren en opnieuw door de gemeenteraad vast te laten stellen. Vanzelfsprekend dient artikel X, lid Y dan aangepast te worden. Dat is de enige oplossing voor een probleem dat nu nog niet speelt, maar vanaf 40 jaar na de eerste uitgifte wel realiteit wordt. Als een tweede persoon in een dergelijk graf begraven moet worden, is er direct sprake van een verplichte verlenging van het grafrecht om de tien jaar grafrust te garanderen. Daarnaast is het zo dat de rechthebbenden twee jaar voor het verstrijken van de uitgiftetermijn van het particuliere graf op grond van de Wlb een verlenging van het grafrecht kunnen aanvragen. Op grond van diezelfde wetgeving is de gemeente verplicht daar gehoor aan te geven ondanks dat haar verordening iets anders aangeeft. U kunt een aangevraagde verlenging van het grafrecht op een particulier graf nooit weigeren, sterker gesteld, u moet zelfs op grond van de Wlb actief een verlenging aanbieden. Het advies van mijn voorganger is in dit geval ook mijn advies aan u: Actualiseer de Beheersverordening en laat die aansluiten bij de Wlb.
Wanneer de verordening geactualiseerd wordt, zijn er meer artikelen die aandacht vragen. Ik denk dan vooral aan de bepaling dat grafrecht dat voor 1962 voor onbepaalde tijd uitgegeven was, eindigt nadat de termijn van de tweede opvolgende rechthebbende is verstreken. Ook dit is strijdig met de Wlb. Grafrecht dat voor onbepaalde tijd gevestigd is, blijft voor onbepaalde tijd in stand – ook na diverse overschrijvingen! Vanzelfsprekend mits aan andere bepalingen, zoals tijdige overschrijving na het overlijden van de rechthebbende wordt voldaan.
Indien u intern wil bespreken of actualisatie van de verordening in gang gezet wordt, kunnen we wellicht per mail of telefonisch daar nader contact over hebben. Los van de genoemde tekortkomingen in de verordeningen, zijn er meer artikelen die serieus aandacht vragen omdat zij schuren met de Wlb.
Uw tweede vraag gaat over de financiële kant van de exploitatie van de begraafplaats. De gemeente heeft investeringen in de begraafplaats gedaan die de kostendekkendheid van de begraafplaats onder druk zetten, zo schrijft u. De kapitaallasten zullen zwaar op de begroting van de begraafplaats drukken. Er zijn maar weinig gemeentelijke begraafplaatsen die volledig kostendekkend zijn. Daar zijn een aantal redenen voor aan te wijzen.
De doorbelasting van de centrale overhead kan, afhankelijk wat de verdeelsleutel van de doorbelasting is, onevenredig zwaar op de begroting van de begraafplaats drukken. Daarnaast hebben (te) veel gemeenten in het verleden de vooruitbetaalde rechten voor onderhoud en grafrechten niet toegevoegd aan een voorziening, maar steeds opgenomen in de jaarlijkse exploitatie van de gemeente. Ook komt het voor dat een voorziening niet geïndexeerd wordt, waardoor deze ‘uitgehold’ wordt. In de situatie dat er ook sprake is van minder inkomsten door minder begravingen, asbestemmingen op de begraafplaats en minder verlengingen van rechten, wordt het financiële gat groter.
Ik ken de situatie in jullie gemeente niet, dus ik kan alleen in algemene bewoordingen aangeven welke mogelijkheden er zouden kunnen zijn om de kostendekkendheid van de begraafplaats op peil te houden, of boekhoudkundig op een hoger peil te brengen. Hiervoor kan een ambtelijke en wellicht bestuurlijke discussie voor nodig zijn. Er zijn enkele vragen die gesteld moeten worden wanneer het gaat over de kostendekkendheid van de begraafplaats en in het verlengde daarvan de tarieven voor de begraafplaats en het gebruik van de bijbehorende voorzieningen. Ik noem een aantal discussiepunten op die wellicht niet allemaal van toepassing zijn:
- Kapitaallasten huisvesting personeel op de begraafplaats. Drukken deze kapitaallasten voor honderd procent op de exploitatie van de begraafplaats, of vallen deze onder de kapitaallasten van alle gemeentelijke accommodaties? Als deze specifieke kapitaallasten volledig op het budget van de begraafplaats rusten, ‘betaald’ de begraafplaats dubbel voor de eigen huisvestingskosten, namelijk ook via de doorbelasting van de centrale overhead.
- Kapitaallasten aula geldt iets gelijks voor. Moet de aula volledig kostendekkend verhuurd worden of niet? Vergelijk het met het theater en het zwembad in Wageningen. Dat zijn ook gemeentelijke voorzieningen. Worden die volledig kostendekkend geëxploiteerd of niet? Als dat niet het geval is, moet de aula dan wel kostendekkend geëxploiteerd worden?
- De begraafplaats wordt gezien als een gedenkPARK. Worden alle kosten voor het beheer van het groen en de paden op de begraafplaats volledig geboekt op de exploitatie van de begraafplaats of (deels) op het openbare groen en wegen? Denk daarbij aan de positieve consequenties ten aanzien van het Btw-compensatiefonds wanneer kosten voor paden en groen onder openbaar groen en wegen vallen.
De hiervoor genoemde vragen zijn van boekhoudkundige aard, maar hebben direct invloed op de kostendekkendheid van de begraafplaats. Dat geldt natuurlijk ook voor de eerdergenoemde doorbelasting van de centrale overhead. Voor de totale gemeentelijke begroting maakt de verdeelsleutel per saldo niets uit, maar voor een individueel organisatieonderdeel kan een verdeelsleutel onevenredig zwaar op de cijfers drukken en dat speelt weer mee bij de discussie over de tarieven voor de begraafplaats. Dat geldt ook voor de jaarlijkse actualisatie van de tarieven voor de begraafplaats.
Als de begraafplaats (boekhoudkundig) niet kostendekkend is en om die reden worden de tarieven fors verhoogd, bestaat het risico dat nabestaanden kiezen voor een crematie in plaats van voor een begraving of dat grafrechten niet meer verlengd worden. Dat moet voorkomen worden en dat vraagt wellicht ook een actualisatie van de Beheersverordening. Nu kunnen grafrechten voor tien, twintig of dertig jaar gevestigd worden (los van de natuur graven). Tussenliggende periodes kunnen voor nabestaanden bij de uitgifte van grafrecht interessant zijn om voor te kiezen. In artikel 1 van de Beheersverordening lees ik wel de definitie van algemene graven, maar niet wat daar verder over geregeld is terwijl een begraving in een algemeen graf een goed alternatief kan zijn voor een crematie mits de tarieven daarvoor vergelijkbaar zijn.
Teruglezend in mijn reactie realiseer ik me dat ik u meer vragen dan antwoorden geef, zeker op uw tweede vraag. Het antwoord op uw tweede vraag: in hoeverre is het binnen de Nederlandse gemeenten gebruikelijk dat de begraafplaatsen de exploitatie rond krijgen (kostendekkend)? is dat het slechts weinig gemeenten lukt om hun begraafplaats(-en) volledig kostendekkend te exploiteren. Dat vraagt ambtelijke en politieke keuzes waarbij de door mij genoemde voorbeelden van groot belang zijn voor de uitkomst van die discussies. Zonder de specifieke situatie in uw gemeente te kennen is het ook niet mogelijk een volledig antwoord op uw tweede vraag te geven. Ik denk dat mijn reactie op uw eerste vraag wel duidelijk is en adviseer u daarmee in elk geval aan de slag et gaan. Ik ken de gemeentelijke processen en doorlooptijden daarvan vanuit de praktijk, maar als er nu gestart wordt met de actualisatie van de verordening, lukt het om een juridisch correcte verordening in te laten gaan op 1 januari 2027
Igle Weidenaar
18 mei 2026