Bezwaar tegen opgraving

Rubriek: Begraven en regelgevingOnderwerp: i. Opgraven / herbegraven

VRAAG

We hebben van een rechthebbende van twee graven een verzoek tot het verlenen van een vergunning tot opgraving en cremeren ontvangen. Het betreft de opgraving van de stoffelijke resten van twee personen die respectievelijk in 2008 en 2003 overleden zijn en zijn begraven op onze gemeentelijke begraafplaats.

Tevens hebben we een bezwaarbrief ontvangen van een mede-nabestaande tegen de voorgenomen ruiming.

Hoe nu te handelen?

ANTWOORD

Op grond van artikel 29, lid 1 van de Wet op de lijkbezorging (Wlb), heeft de burgemeester van de gemeente waar deze begraafplaats is gevestigd de bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning tot opgraven. Het verzoek tot opgraving dient dan ook gericht te zijn aan de burgemeester. De rechthebbende van beide graven is gerechtigd om een gemotiveerd verzoek tot opgraving in te dienen. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan lid 1 van artikel 29 Wlb dat aangeeft:

Een lijk wordt slechts opgegraven met vergunning van de burgemeester van de gemeente waarin het is begraven, en, indien het een particulier graf betreft, met toestemming van de rechthebbende op het graf.

Vervolgens schrijft u dat u een bezwaarbrief ontvangen heeft van mede-nabestaanden tegen de voorgenomen ruiming. U schrijft niet of de vergunning tot opgraven en cremeren al verleend is. Dat is in het kader van het juridische proces van belang om te weten. Ik weet niet wat de motivatie van de aanvrager is om de stoffelijke resten van zijn vader en broer te willen laten opgraven en cremeren. Die motivatie is van belang. Stel dat zijn wens is om de as van vader en broer na de crematie te verstrooien of bij hem thuis te bewaren, dan kan dat een reden zijn om geen vergunning te verlenen. Of beter gezegd, dat bezwaar tegen een vergunning gehonoreerd wordt. Er is dan voor de mede-nabestaanden immers geen openbaar toegankelijke plek tot herdenken. Is het echter de bedoeling om de as in bijvoorbeeld een urnengraf te plaatsen, dan wordt het argument van de algemeen toegankelijke herdenkingsplek al onderuitgehaald.

Ik geef twee scenario’s in mijn vervolgreactie:

De vergunning tot opgraven en cremeren is nog niet verleend.

Mede-nabestaanden kunnen nu nog geen bezwaar maken tegen een vergunning tot opgraven. Ze kunnen vooraf, zoals zij dat gedaan hebben, wel hun bezwaren uiten, maar er kan pas bezwaar gemaakt worden tegen een Besluit van de burgemeester wanneer dat Besluit genomen is. De burgemeester kan in zijn of haar afweging om de vergunning wel of niet te verlenen, de bezwaren wel mee laten wegen. Dan is de motivatie van de aanvrager weer van belang. Zoals ik schreef is die motivatie sterker wanneer het voornemen is om de as in bijvoorbeeld een urnengraf te plaatsen, dan wanneer het voornemen is om de as te verstrooien. Stel dat verstrooien de motivatie voor de opgraving en crematie is en de burgemeester besluit om geen vergunning te verlenen. Dan kan de aanvrager op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar maken tegen deze afwijzing. Dat moet ook in de afwijzing vermeld worden. Het is immers een Besluit van de burgemeester. Op dat bezwaar volgt dan een hoorzitting. Die procedure benoem ik in het volgende scenario.

De vergunning tot opgraven en cremeren is wel verleend.

Als de motivatie van de aanvrager duidelijk is, zie ik niet direct een mogelijkheid om een vergunning te weigeren. De aanvrager is de rechthebbende van de graven en de wettelijke grafrusttermijn is immers verstreken. In deze situatie adviseer ik dat de gemeente de mede-nabestaanden informeert dat de vergunning tot opgraven en cremeren verleend is. In die kennisgeving dient dan gewezen worden op de bezwaarmogelijkheid op grond van de Awb. Dat bezwaar dient binnen zes weken na vergunningverlening ingediend te zijn. Vanzelfsprekend dient het bezwaar gemotiveerd en ondertekend te zijn. Ik vermoed dat een gesprek vanuit de ambtelijke organisatie met de bezwaarmakers er niet toe zal leiden dat een bezwaar ingetrokken wordt. Dan volgt er een hoorzitting van de beroep- en bezwaarcommissie waarin de bezwaarmakers hen bezwaren kunnen onderbouwen en toelichten. De commissie zal vervolgens een advies aan de burgemeester uitbrengen. Advies kan zijn de vergunning tot opgraven en cremeren in stand te laten houden of deze in te trekken. Als de vergunning in stand gehouden wordt, staat de bezwaarmakers de gang naar de rechter open. De rechter zal dan een oordeel vellen. In dergelijke zaken is de instandhouding of cre?ren van een algemeen toegankelijke herdenkingsplek een belangrijk punt dat een rechter in zijn of haar oordeel mee zal wegen. Het zal voor de bezwaarmakers wellicht lastig aantoonbaar te bewijzen zijn dat beide overledenen beslist niet gecremeerd wilden worden. Het argument grafrust is een ander punt, maar de wettelijke termijn van tien jaar is voor beide overledenen al ruimschoots verstreken.

Stel dat de vergunning nog niet verleend is en de burgemeester besluit wel vergunning te verlenen. In de vergunning worden voorwaarden opgenomen. In deze situatie adviseer ik in elk geval een termijn op te nemen wanneer de opgraving en crematie uitgevoerd mag worden. Gezien de wettelijke bezwaartermijn van zes weken tegen het Besluit van de burgemeester, is het legitiem om als één van de voorwaarden in de vergunning op te nemen dat er niet eerder uitvoering aan de opgraving en crematie gegeven mag worden dan bijvoorbeeld twee maanden na de vergunningverlening.

Kortom, uw vraag was hoe om te gaan met deze situatie. Zoals ik schreef is van belang of de vergunning al wel of niet verleend is. Blijf uit een mogelijke familievete (daar lijkt deze casus op) en volg de juiste route van vergunningverlening. Denk aan de juiste voorwaarden in de vergunning en verwijzing naar lid 1, 2 en 3 van artikel 29 Wlb.

Igle Weidenaar
12 mei 2026