Overdracht ondergrond begraafplaats naar gemeente
Rubriek: Bestuur en beleidOnderwerp: c. Bijzondere begraafplaatsenVRAAG
In de Wet op de Lijkbezorging lezen we dat er twee soorten begraafplaatsen zijn. De gemeentelijke begraafplaats en de bijzondere begraafplaatsen. Wij hebben op dit moment een casus lopen waarbij wij als gemeente een begraafplaats (of in ieder geval de grond) over gaan nemen welke nu in eigendom en beheer van een kloosterorde is.
In relatie tot deze casus hebben wij een aantal vragen welke we graag aan jullie voorleggen:
• Kunnen we ervan uitgaan dat dit dan een ‘bijzondere begraafplaats’ betreft? (aangezien het geen gemeentelijke begraafplaats is)
• Dient bovenstaande vastgelegd te zijn in stukken/besluit? Of is het zo dat als het geen gemeentelijke begraafplaats is, dan is het een bijzondere begraafplaats?
• Het idee is dat de grond in eigendom komt van de gemeente. De uitvoering en het bijhouden van de begraafplaatsadministratie blijft bij de kloosterorde (en de organisatie daarachter). Hebben jullie hierin voor ons nog extra aandachtspunten waar we op dienen te letten?
• Hoe zit het met de aansprakelijkheid als toekomstige eigenaar van de grond en naar wie toe zijn wij aansprakelijk? Bijvoorbeeld als we kijken naar de uitvoering volgens de Wet op de Lijkbezorging?
ANTWOORD
Volgens de Wet op de lijkbezorging (wlb), artikel 24, worden begraafplaatsen onderscheiden in gemeentelijke en bijzondere. Elke begraafplaats die niet door een burgerlijke gemeente geëxploiteerd wordt, is een zogenaamde bijzondere begraafplaats. De betreffende begraafplaats die in eigendom en exploitatie van de kloosterorde is, valt daar dus ook onder. In het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) heeft het perceel de aanwijzing dat de grond bestemd is als begraafplaats. Nu is het in de Wlb geregeld dat het college van B&W toestemming moeten verlenen voor het in gebruik nemen van een bijzondere begraafplaats, zie artikel 41. Dat zal ooit ook voor deze begraafplaats geregeld zijn en vastgelegd in stukken en documenten.
Het is mogelijk dat de grond door de kloosterorde verkocht wordt aan de burgerlijke gemeente, waarbij de exploitatie van de begraafplaats in handen blijft van de kloosterorde. Het blijft in die situatie een bijzondere begraafplaats. Alleen het blooteigendom van de (onder-)grond gaat over naar de gemeente. Ik verwacht dat er vervolgens sprake zal zijn van een (erf-)pachtconstructie, waarbij de kloosterorde een jaarlijkse vergoeding (de canon) betaald voor het gebruik van de grond.
U vraagt of er extra aandachtspunten zijn waar jullie als gemeente op dienen te letten. In principe zijn er ten aanzien van de exploitatie van de begraafplaats geen wijzigingen. Als burgerlijke gemeente hebben jullie nu ook al een toezichthoudende taak ten aanzien van elke bijzondere begraafplaats. Dat wijzigt niet als het juridisch eigendom van de grond bij de gemeente komt te liggen.
Een aandachtspunt nu en voor de toekomst, is de exploitatie van de begraafplaats. Is deze op orde, is er sprake van een actueel reglement en grafadministratie, worden er tijdig verlengingen van grafrechten aangeboden en vinden die verlengingen ook plaats, is er sprake van een onderhoudsvoorziening, enz.? En niet onbelangrijk, hoe is de reële verwachting van het aantal begravingen in de toekomst? Stel dat er in de toekomst nauwelijks of niet meer begraven wordt op deze begraafplaats en er vinden ook nauwelijks of geen verlengingen meer plaats waardoor er bij de houder van de begraafplaats financiële problemen ontstaan, hoe dan te handelen? Wordt de begraafplaats gesloten verklaard? Ook dan is er voor de houder van de begraafplaats nog een instandhoudingsplicht, terwijl er wellicht nauwelijks of geen sprake is van inkomsten. Mocht de begraafplaats vervolgens in verval raken, dan loopt de burgerlijke gemeente het risico dat zij, moreel gezien, de partij is die de exploitatie van de begraafplaats moet overnemen van de kloosterorde. Zeker omdat zij toch al de eigenaar is van de grond.
Kortom, het is interessant om te weten waarom er sprake is van mogelijke overdracht van het blooteigendom van de grond. De vraag hiertoe kan vanzelfsprekend reëel zijn en zowel de ambtelijke organisatie als de politiek kunnen welwillend zijn om de grond te verwerven. Mijn advies is om in deze situatie zeker ook te (laten) kijken naar de staat waarin zowel de grafadministratie en de financiële situatie zich bevinden. Ik kan me voorstellen dat de exploitatie van de begraafplaats in een separate stichting ondergebracht wordt, los van de kloosterorde, waarbij in de bemensing van het stichtingsbestuur voorzien wordt door de kloosterorde. Dat kan zekerheid geven bij de exploitatie van de begraafplaats wanneer de kloosterorde onverhoopt zo moeten sluiten.
Vanuit de Wlb zie ik geen bezwaren voor overname van de grond door de gemeente. De exploitatie van de begraafplaats op (langere) termijn vraagt daarbij echter wel aandacht. Zeker om een ongewenste morele verplichting in de toekomst om de exploitatie ook over te nemen te voorkomen.
Nagekomen informatie: De reden waarom de gemeente eventueel het blooteigendom van de grond wil/gaat kopen is onder meer ‘de opdracht tot vergroening van verstedelijkt gebied’. Het gaat hierbij om een groter geheel (waar de begraafplaats een onderdeel van vormt) waarbij diverse belangen een rol spelen, zoals op het gebied van wonen en het publiek toegankelijk maken van de kloostertuin, een mooie meerwaarde voor het centrum waar nu relatief ‘weinig groen’ te vinden is.
Igle Weidenaar
18 mei 2026