Gifvrij natuurlijk

Wie niet-ecologische planten uit het tuincentrum op de begraafplaats zet en denkt goed bezig te zijn voor de insecten en de biodiversiteit, komt bedrogen uit. Marlonneke Willemsen maakt dat met haar fotografieproject Invisible threat overtuigend zichtbaar.

Gifvrij natuurlijk

© Anja Krabben

Fotografe Marlonneke Willemsen ontdekte dat als je niet-ecologische planten uit het tuincentrum in je tuin zet (of op de begraafplaats) en denkt dat je goed bezig bent voor de insecten en de biodiversiteit, je bedrogen uitkomt. De insecten gaan dood en je helpt er feitelijk de biodiversiteit vérder mee om zeep. In haar fotografieproject Invisible threat maakt ze dat duidelijk zichtbaar.

De zojuist verschenen LOB Handleiding biodiversiteit op begraafplaatsen is er duidelijk over: ‘Niet doen! Gebruik geen bestrijdingsmiddelen en zeker geen middelen die neonicotinoïden bevatten. Deze middelen zijn o.a. voor (wilde) bijen, vlinders en andere insecten zeer schadelijk. Het natuurlijke evenwicht tussen dieren en planten raakt uit balans waardoor juist ziekten en plagen meer kans krijgen.’ (Nog los van dat het ook voor je eigen gezondheid schadelijk is.)

Zelf bestrijdingsmiddelen gebruiken doe je uiteraard niet meer en mag niet eens meer op de begraafplaats, maar realiseren we ons voldoende dat anderen, waaronder de meeste bollen-en plantentelers, dat nog wel doen?

Fotografe Marlonneke Willemse ontdekte dat ‘zeer schadelijk’ betekent dat de insecten die je probeert te lokken met in een ‘gewoon tuincentrum’ gekochte bollen en planten, er simpelweg door worden gedood. Daar kwam ze bij toeval achter, vertelt ze: “Mijn project Invisible threat komt voort uit een eerder project, Development, waarin ik de ontwikkeling van dieren fotografeerde.” (De eerste weken van dieren, van kat tot vogel, van vis tot reptiel.) “Voor Development ben ik op een bepaald moment bladetende insecten en andere kleine diertjes, zoals slakken, gaan fotograferen. In eerste instantie dacht ik – heel naïef – dat ik de voedselplant (waardplant) voor bepaalde insecten in het tuincentrum kon kopen of desnoods in de natuur kon vinden. Al snel kwam ik erachter dat dit niet het geval was, de dieren gingen binnen enkele uren dood. In eerste instantie dacht ik dat ik zelf iets verkeerd had gedaan, maar langzamerhand begon ik een patroon te zien. Kocht ik een nieuwe ‘normale’ plant bij het tuincentrum dan gingen de dieren dood. Kocht ik een biologisch geteelde plant of een plant die al jaren in een tuin stond waar geen chemicaliën gebruikt werden, dan ging het wel goed en bleven de dieren leven.”

Ze ging zich er verder in verdiepen en ontdekte dat uit onderzoeken van onder andere PAN (Pesticide Action Network) Nederland en Greenpeace is gebleken dat bijna alle niet-biologische planten die in tuincentra verkocht worden een cocktail van verschillende bestrijdingsmiddelen bevatten.

Tuincentra
Ze besloot haar observaties bij het project Development te herhalen. “Bij diverse tuincentra heb ik in totaal tien verschillende tuinplanten gekocht. Deze planten heb ik allemaal gefotografeerd. Vervolgens heb ik ze aan verschillende insecten en slakken gevoerd. Ik heb zoveel mogelijk gebruik gemaakt van dieren die óf in gevangenschap gekweekt zijn (bijvoorbeeld als voedseldieren voor reptielen) óf invasieve soorten, om zo min mogelijk schade aan de natuur aan te richten. Ook heb ik gekozen voor kleine groepjes van slechts enkele dieren, ook om zo min mogelijk dierenleed te veroorzaken. Daarnaast heb ik een controlegroep opgezet met dieren die onder precies dezelfde omstandigheden gehouden werden en deze groep voedsel gegeven waarvan ik zeker wist dat het veilig was.”

Het resultaat was overduidelijk: “In negen van de tien gevallen gingen de dieren die gevoerd werden met de nieuwe niet-ecologische tuinplanten, dood. Een van de dieren, het kleine koolwitje kwam ook nog eens vervormd uit de pop om vervolgens binnen korte tijd dood te gaan. De enige plant waarbij het dier, een slak, wel bleef leven, had een Duits eco-label. In de controlegroepen, met de gifvrije planten, bleven alle dieren leven.”

Twee van de planten die Willemsen als voer gebruikte, de lavendel en de dahlia, zijn getest door PAN Nederland. In beide gevallen bevatte de plant een cocktail van verschillende bestrijdingsmiddelen.

Willemsen: “Het is opvallend dat de problematiek rondom bestrijdingsmiddelen nog steeds taboe is. Als ik vroeg om een niet-bespoten plant, werd ik vaak boos aangekeken en werd er geïrriteerd gereageerd. Ook valt het mij op dat er in de media en politiek als het over het behoud van insecten en de biodiversiteit gaat, dit aspect nauwelijks aan de orde komt. Er is veel aandacht voor het vervangen van tegels voor planten, maar niemand zegt erbij dat je dan het beste biologische planten kunt kopen.”

Ze hoopt met haar project Invisible threat meer aandacht voor de problematiek rondom bestrijdingsmiddelen te genereren. Zie ook haar website: www.marlonnekewillemsen.com.

Foto’s uit Invisible threat. Van boven naar beneden: De cosmea en Europese treksprinkhaan, buddleja (vlinderstruik) en klein koolwitje, lavendel en huiskrekel